_publicaties https://www.stichtingsurplus.nl/Surplus_C01/ Beschrijving van de feed nl-nl <![CDATA[Pabo en stage: hoe hou je alle ballen in de lucht]]>

Je volgt de pabo, loopt stage, hebt daarnaast nog een baantje en dan wil je zo nu en dan afspreken met je vrienden. Ergens moet je ook nog tijd vinden om je opdrachten te maken, verslagen te schrijven en aan alle verwachtingen te voldoen. Jij hebt best veel ballen in de lucht te houden. Hoe pak je dat aan?
• Maak al aan het begin van het schooljaar een planning voor de lange en de korte termijn, voor je stage en je schoolwerk.
• Stem je planning af met die van je stageschool. Zo voorkom je dat schoolactiviteiten zoals themafeesten en studiedagen jouw plannen doorkruisen.
• Bespreek je planning met je mentor om te checken of je niks over het hoofd hebt gezien.
• Als je slim bent, probeer je met jouw opdrachten aan te sluiten bij de activiteiten op school. Projectweken en themafeesten kunnen goede haakjes zijn.
• Houd contact met je stagebegeleider over je voortgang en bespreek waar je tegenaan loopt. Zo blijft de bal rollen.
• Hou je aan je planning. Voorzie je vertraging, bijvoorbeeld omdat je op vakantie gaat, probeer dan vooruit te werken. Of probeer je achterstand zo snel mogelijk in te halen, voordat het werk zich opstapelt. Discipline helpt je verder.
• Stel je actief op, realiseer je dat de bal bij jou ligt. Als jij niks doet, gebeurt er ook niks.
• Ben jij ’s ochtends scherp en helder? Of kom je juist ’s avonds tot de beste resultaten? Stem je studiemomenten af op jouw bioritme.
• Maak bewuste keuzes. Hoeveel tijd heb je naast je studie nog beschikbaar voor je bijbaantje, sporten, vrienden, en #leukedingendoen?
• Neem de tijd om te ontspannen en je batterij op te laden. Daarna kun je met meer energie aan de slag.
• Vergeet vooral niet te genieten. Want werken met kinderen is toch wel het leukste dat er is!
 


]]>
<![CDATA[Samenwerking tussen ouders en school: criterium 3]]>

Stel dat jij vandaag je eigen basisschool zou beginnen… Hoe zou jij dan willen samenwerken met de ouders van je leerlingen? Vandaag nodigen we jou uit om daar eens over na te denken aan de hand van criterium 3 van Ouderbetrokkenheid 3.0.

 

Criterium 3: Op school is aan alles te merken dat leerlingen, ouders en leraren welkom zijn.


Dit lijkt nogal vanzelfsprekend. Tóch zijn er vaak nog puntjes op de i te zetten op jouw school. Waar kun je dan zoal aan denken?
- Als iemand onder lestijd de school binnenloopt, wordt hij/zij dan verwelkomd of laten we de gast dwalen en zelf uitzoeken bij wie hij/zij moet zijn?
- Maakt de bewegwijzering rondom en in de school duidelijk waar de hoofdingang is, waar de directiekamer is, enzovoort?
- Is de school opgeruimd, de uitstraling sfeervol en uitnodigend en de inrichting gezinsvriendelijk?
- Staan de deuren open? Letterlijk en/of figuurlijk?
- Wordt de telefoon tijdens kantoortijden altijd beantwoord?
- Is de directiekamer bij de ingang?
- Hoe praten ouders en leerkrachten over elkaar? Moet de deur van de teamkamer wel eens dicht? Zijn er beelden over groepen ouders of over leraren die niet kloppen met de werkelijkheid?
- Zijn er economische belemmeringen voor deelname aan alle onderwijsactiviteiten?
- Kunnen ouders op vrijwillige basis meehelpen op school?
- Is er wel eens een koffie-uurtje of een andere activiteit voor ouders om elkaar beter te leren kennen? Zijn er ouders van oudere leerlingen die nieuwe ouders welkom heten en wegwijs maken?
Het kan een mooi onderzoek zijn voor de leerlingenraad en/of de ouderraad om eens een rondje te lopen door de school met de frisse blik van een gast en om mensen te bevragen op dit thema. En een mystery guest regelen, geeft ook leuke inzichten ?? !

 

Lees ook onze artikelen over criteria 1 en 2:

https://www.stichtingsurplus.nl/_publicaties/Samenwerking-tussen-ouders-en-school

https://www.stichtingsurplus.nl/_publicaties/Samenwerking-tussen-ouders-en-school--criterium-2


]]>
<![CDATA[Samenwerking tussen ouders en school: criterium 2]]>

Stel dat jij vandaag je eigen basisschool zou beginnen… Hoe zou jij dan willen samenwerken met de ouders van je leerlingen? Vandaag nodigen we jou uit om daar eens over na te denken aan de hand van criterium 2 van Ouderbetrokkenheid 3.0.

 

Criterium 2:
De school laat zien dat leraren, leerlingen en ouders actief betrokken worden bij het schoolbeleid. Bijvoorbeeld door middel van panelgesprekken met ouders, een leerlingenraad, een brainstorm tussen leraren, leerlingen en hun ouders over een bepaald beleidsthema, enzovoort. Leraren, leerlingen en ouders weten wat er met hun inbreng gebeurt.


WAT BETEKENT DIT?
• In jouw nieuw opgerichte school heb je het in verschillende samenstellingen en op structurele momenten met ouders en leerlingen over ‘wat is goed voor het kind?’: welke regels, welk beleid, welke inrichting, welke initiatieven?
• Tijdens die brainstormsessies, MR vergaderingen, panelgesprekken, koffie-ochtenden, workshops, vergaderingen met de leerlingenraad enzovoort zijn de kaders helder: wat vraag jij precies aan de ander? En wil je dat de ander meedenkt, mee leert, meebeslist of heb je al een voorkeursscenario en houd je een raadpleging?
• Op je nieuw opgerichte school koppelt iedereen altijd terug wat hij/zij met de inbreng en ideeën van de ander doet!
• Je zorgt voor balans tussen halen en brengen. Je bevraagt niet alleen de ander maar draagt ook informatie aan en presenteert zelf goed gefundeerde voorstellen. Alsmaar input vragen aan de ander, en niet brengen, werkt immers averechts.
• Je laat de kinderen meedenken en meebeslissen via de leerlingenraad (https://www.allekansen.nl/praktijk/praktijkcases/22624/de-diepere-lagen-van-de-leerlingenraad) en KidzReporterz (https://www.stichtingsurplus.nl/_nieuws/Reportages-KidzReporterz-in-premi%C3%A8re).
• Je hebt altijd hoge verwachtingen van elkaar! Ongeacht het opleidingsniveau van ouders, ongeacht leeftijd en ongeacht of een leerkracht zelf kinderen heeft: alle ouders, alle kinderen en alle leerkrachten hebben waardevolle ideeën over ‘wat goed is voor kinderen’. Dat staat centraal op jouw nieuw opgerichte school.
• Je staat open en bent nieuwsgierig: ouders kunnen zinnige dingen zeggen over methodes en leerkrachten over opvoeden thuis.
• Dit betekent niet dat jouw nieuw opgerichte school alles overlaat aan ouders net zo min als ouders de gang van zaken thuis overlaten aan de school ??. Het betekent wel dat je met elkaar afspreekt met welk doel en over welke thema’s je elkaar structureel opzoekt. Zo kom je samen tot de beste opties voor het kind.

 

WAT ZOU HET OPLEVEREN?
• Draagvlak en volstrekte duidelijkheid over wie waarover meedenkt en beslist.
• Rijker beleid, meer innovatie en betere beslissingen, op basis van meer informatie en verschillende gezichtspunten.
• Het kind ervaart een gezamenlijk optrekken van ouders en school en voelt zich daardoor meer gezien.

 

Natuurlijk, op je huidige school, denken en praten ouders en kinderen ook al mee over beleid! Je hoeft geen nieuwe school op te richten. Maar wat zou je ervan vinden als het effect van jullie inspanningen groter wordt door bovenstaande checklist toe te passen?


Meer weten? Bij Surplus biedt het team Ouderbetrokkenheid ondersteuning aan scholen die aan de slag willen met de 10 criteria van Ouderbetrokkenheid 3.0. Contact via e.groslot@stichtingsurplus.nl


Lees ook ons artikel over criterium 1: https://www.stichtingsurplus.nl/_publicaties/Samenwerking-tussen-ouders-en-school


]]>
<![CDATA[Stage lopen bij Surplus: wat doet de mentor voor jou?]]>

 

Als je vanuit de Pabo stage loopt op een Surplusschool, word je gekoppeld aan een mentor die jou tijdens je stage begeleidt. Wat kun je van je mentor verwachten?
• De mentor zorgt ervoor dat jij je welkom voelt op je stageschool. Hij ontvangt je, stelt je voor aan het team en je krijgt een rondleiding door de school. De mentor neemt de tijd voor je. Hij neemt je serieus en betrekt je actief bij het team. Zo voel je al snel dat je er helemaal bij hoort.

  • Aan het begin van je stage hebben jullie een gesprek waarin jullie allebei je verwachtingen uitspreken. Jij geeft aan wat je wilt leren, de mentor geeft aan wat hij jou te bieden heeft.
  • Wat zijn je persoonlijke leerdoelen? Je mentor helpt je bij het vertalen van deze leerdoelen naar je stage.
  • Je mentor voert coachingsgesprekken met je. Hij geeft feedback om je te stimuleren in je ontwikkeling, jij kunt reageren en vragen stellen.
  • Heb je vragen, twijfels, wil je even sparren, checken of je gevoel klopt, loop je ergens tegenaan… ga naar je mentor, hij is je vraagbaak.
  • Op deze manier draagt je mentor bij aan het creëren van een veilige leeromgeving waarin jij alle ruimte hebt om te leren en jezelf te ontwikkelen tot een waardevolle leerkracht voor het basisonderwijs.

Bij Stichting Surplus word je niet alleen gekoppeld aan een mentor, maar word je ook begeleid door een praktijkopleider. Wat doet de praktijkopleider?

  • De praktijkopleider formuleert samen met jou en je mentor wat je ontwikkeldoelen zijn tijdens je stage.
  • De praktijkopleider volgt jou bij al je stages binnen Surplus, dus hij krijgt over een langere periode een beeld van jou als leerkracht in opleiding.
  • De praktijkopleider is de verbindende factor tussen jou, de pabo en je mentor.
  • De praktijkopleider is het aanspreekpunt voor jou, de pabo en je mentor voor alle vragen die over jouw stage gaan.

Wil je graag stage lopen op een Surplusschool? Geef bij jouw pabo-opleiding aan dat je hieraan de voorkeur geeft of neem contact op met Susan van Stralen via S.vanStralen@stichtingsurplus.nl .


 

]]>
<![CDATA[Samenwerking tussen ouders en school]]>

Stel dat jij vandaag je eigen basisschool zou beginnen… Hoe zou jij dan willen samenwerken met de ouders van je leerlingen? Zonder de geschiedenis van 10-minutengesprekken en informatiebijeenkomsten. Wat zou er allemaal mogelijk zijn? Aan de hand van de 10 criteria van ‘Ouderbetrokkenheid 3.0’ nodigen we jou uit om daar eens over na te denken. In deze publicatie: criterium 1.

 

CRITERIUM 1
School en ouders hebben samen een heldere visie op de samenwerking. Uit alles wat de school en haar medewerkers doen en uit alles wat zij communiceren aan ouders blijkt hoe belangrijk de school het samenwerken met ouders vindt.

 

WAT BETEKENT DIT?

  • In jouw nieuw op te richten school zou die visie op samenwerken met ouders de oplegger zijn voor al jouw handelen, dat van jouw collega’s en natuurlijk dat van de ouders zelf.
  • Het zou dus het eerste zijn wat je doet bij de oprichting van je nieuwe school: samen met ouders die visie op samenwerking formuleren.
  • In teamvergaderingen en op bijeenkomsten zou de visie regelmatig weer op de agenda staan.
  • Door alle contacten met ouders zou de visie als een rode draad lopen.
  • Nieuwe ouders zouden een visiegesprek krijgen met zittende ouders, die ambassadeurs van jullie visie zijn.
  • De visie zou ophangen in de school, op de website staan, herkenbaar en uniform.

 

WAT ZOU HET OPLEVEREN?

 

  • Draagvlak en volstrekte duidelijkheid over ieders verwachtingen, taken en verantwoordelijkheden!
  • Leerkrachten en ouders naar het kind toe met één mond spreken over hun taken en verantwoordelijkheden: wat hoort bij school, wat hoort bij de ouders en wat doen we samen.
  • En wat er in die visie staat, dat levert nog veel meer op. Daarover meer als we de volgende criteria onder de loep nemen.

Wedden dat dit op elke school kan? En dat je geen nieuwe school hoeft op te richten?

 

Volgende week criterium 2.


Meer weten? Bij Surplus biedt het team Ouderbetrokkenheid ondersteuning aan scholen die aan de slag willen met de 10 criteria van Ouderbetrokkenheid 3.0. Contact via e.groslot@stichtingsurplus.nl


]]>
<![CDATA[RC Cup kent alleen winnaars]]>

Vorige week woensdag 28 november vond de finale plaats van de RC Cup in de Niedorphal in WInkel. Ook dit jaar was het evenement een groot succes en de bekroning op het werk van heel veel enthousiaste kinderen. De volgende prijzen werden uitgereikt:
• Op Avontuur: winnaar van de RC Cup met de 'overall award'
• Hoge Ven: speed award
• Zandhope: communicatie award én money award
• De Zwerm: sportiviteit award
• De Zandhorst: design award
Ook aan alle andere scholen die meededen: gefeliciteerd met de fantastische prestaties die zijn neergezet!

 

Een impressie van de RC Cup 2017:


 


]]>
<![CDATA[KidzReporterz: kinderen als onderzoeksjournalisten]]>

Onderzoekend leren kan op allerlei manieren. Zo kun je de kinderen als reporter op pad sturen om knelpunten te onderzoeken waar de school mee worstelt. Het KidzReporterz team van De Zilvermeeuw onderzoekt hoe hun schooltuin een echte leertuin kan worden. Het KidzReporterz team van De Meerkoet onderzoekt van welke bedrijven ze willen leren en hoe die samenwerking er dan uit kan zien. Maar eerst leren ze iets meer over het reportersvak.

 

 


]]>
<![CDATA[Samenwerking maakt warme overdracht overbodig]]>

Kinderen die naar de peuterspeelzaal gaan, zijn al een beetje gewend aan ‘naar school gaan’. Toch is de overgang naar het basisonderwijs voor velen best groot. Dat kan ook anders. Door peuterspeelzalen en groepen 1/2 van basisscholen met elkaar te laten samenwerken, bijvoorbeeld. Dat gebeurt binnen Surplus onder andere al op Zandhope en op De Meerkoet. Wat levert dat op?

 

 

Verbinding leggen

“Wij zetten op al onze locaties in op het leggen van verbinding tussen peuters en kleuters”, vertelt Marga Hendriks, directeur van kinderopvangorganisatie Kappio. “Ook op de locatie in ’t Zand waar we samenwerken met Zandhope en de Sint Jozefschool die samen met ons in de brede school zitten.” In de overgang van peuterspeelzaal naar basisschool is al jaren sprake van ‘warme overdracht’, waarbij de peuterleidster zoveel mogelijk informatie over de kinderen meegeeft aan de basisschoolleerkracht. Wat Hendriks betreft, is hier ruimte voor een verdiepingsslag. “Als peuters al in het voorschoolse traject bekend zijn bij de leerkracht en de intern begeleider en betrokken worden bij het aanbod in groep 1/2, kun je een doorgaande lijn creëren. Dan is het kind al bekend en is er helemaal geen warme overdracht meer nodig.”

 

 

Vroegtijdig signaleren

Het voordeel van deze samenwerking is vooral dat je vroegtijdig kunt signaleren, vindt Marga. “Kinderen die behoefte hebben aan extra ondersteuning vanwege een achterstand, maar ook kinderen die juist al wat verder zijn dan leeftijdsgenoten, pik je er al in een vroeg stadium uit. Nog voordat ze naar de basisschool gaan, kun je ze de benodigde ondersteuning bieden. Dat komt het

 

 

kind alleen maar ten goede.” Ook voor ouders biedt deze aanpak voordelen. “Voor ouders is het soms moeilijk te accepteren dat hun kind meer of andere ondersteuning nodig heeft. Bij deze aanpak kan de acceptatie eerder starten en kun je ouders tijdig meenemen in het proces.” Daarbij liggen de didactische doelen, de ontwikkelgebieden en het aanbod van spelend leren tussen de peuterspeelzaal en de kleutergroepen dicht bij elkaar. “Waarom zou je er dan toch voor kiezen om twee aparte werelden te laten bestaan?” Wat Marga betreft, kan de samenwerking ver gaan. “Laat de peuterleidsters deelnemen aan het overleg van de onderbouwleerkrachten en laat kleuterjuffen en peuterleidsters een gezamenlijk aanbod ontwikkelen. Neem gezamenlijke verantwoordelijkheid in het gebruik van een kindvolgsysteem wat je op elkaar afstemt om de doorgaande lijn te borgen.”

 

 

 

‘Het voelt vertrouwd’

Karin Slijkerman, leerkracht van groep 1/2 op Zandhope, kan zich hierin vinden. “Wij werken nauw samen met onze collega Mirthe Huitinga van peuterschool De Zandbak. Vorig jaar hebben we samen aan het thema ‘feest’ gewerkt rond het 275-jarig bestaan van ’t Zand, wij hebben de peuters uitgenodigd voor ons cupcakefeest en we zijn samen op excursie gegaan naar de bakkerij. Nu werken we het boekenweekthema ‘griezelen’ samen uit.” Karin vindt het niet alleen ‘heel leuk’ om samen te werken, ze ervaart ook de meerwaarde. “Op deze manier maken we de overgang naar de basisschool kleiner. Omdat peuters al bij ons zijn geweest, voelt het vertrouwd en veilig als ze echt naar de basisschool gaan. Onlangs is Jason van de peuterspeelzaal naar onze groep overgegaan en dat is heel soepel verlopen. Hij kende al veel kinderen en draaide vanaf dag één volop mee.” Zijn moeder Inge Kossen is het daar helemaal mee eens. “Jason wist al waar hij terecht zou komen, het afscheid nemen in de klas ging heel makkelijk. De omgeving en de kinderen waren al vertrouwd voor hem.”

 

 

Bevordert doorstroming

De samenwerking met Mirthe vindt ze ‘heel plezierig’. “We bedenken samen thema’s en werken ze uit op het niveau van onze kinderen. We inspireren elkaar.” Leidster Mirthe is net zo enthousiast als Karin over de samenwerking. “We zijn nog maar pas begonnen, maar ik zie nu al dat het voor peuters heel fijn is om eerder kennis te maken met de basisschool. Vaak zijn ze er wel aan toe om die stap te zetten, maar vinden ze het toch eng. Nu gaat de overgang geleidelijker omdat ze al een beetje weten wat ze kunnen verwachten.” Meedraaien in het overleg met de onderbouw vindt ze een goed idee: “Dan kun je bijvoorbeeld het leren zoals dat bij de kleuters gebeurt al eerder oppakken met kinderen die meer uitdaging nodig hebben. Het bevordert de doorstroming naar het volgende niveau.”

 

 

 

Samen op de catwalk

“Wij trekken nu al zo’n vier jaar samen op met de peuterspeelzaal rond allerlei thema’s en dat bevalt goed”, vindt Joke van Rijn. Zij is leerkracht van groep 1/2 op De Meerkoet in Dirkshorn en werkt nauw samen met peuterspeelzaal Dreumesland van Kappio die twee deuren verderop in hetzelfde gebouw is gevestigd. “Zo hebben we laatst een project over kleding gedaan. Kinderen hebben zelf kleding gemaakt en samen geshowd op een catwalk in de hal. Een van de kinderen maakte foto’s, en de kleuters namen de peuters die het spannend vonden mee de bühne op. Wat je ziet, is dat de kleuters zich over de kleintjes ontfermen en dat de kleintjes zich aan hen optrekken. Dat geeft beide een goed gevoel. Ondertussen leer ik de kinderen die straks bij mij in de klas komen al een beetje kennen. In de loop van het schooljaar hebben peuterleidster Saskia van Schagen en ik al gesprekken met elkaar. Niet formeel, maar bijvoorbeeld als de kinderen samen buiten spelen, of als we samen aan een project werken. We lopen ook regelmatig bij elkaar binnen. Tegen het einde van het schooljaar hebben we, over de kinderen voor wie we extra zorg verwachten, samen een gesprek met de desbetreffende ouders voor de warme overdracht. Zo wordt de stap naar het basisonderwijs kleiner. Ik heb steeds minder huilende kinderen in de klas.”


]]>
<![CDATA[Op weg naar de RC Cup: talentonderwijs]]>


Deed een aantal Surplusscholen vorig jaar nog mee aan de RC Cup die werd georganiseerd door Tata Steel, dit jaar organiseert Surplus zijn eigen race. Op 25 november strijden de teams van Zandhope, De Peppel, de Niko Tinbergenschool en De Snip tegen elkaar. De voorbereidingen draaien op volle toeren, zelfs na schooltijd wordt er hard gewerkt.


Elk team een taak
De voorbereidingen starten op elke school met het indelen van de groepen in teams, die elk hun eigen taak hebben: van financiën en sponsoring tot techniek en racen. “Ik dacht dat iedereen coureur wilde worden, maar dat bleek niet zo te zijn”, vertelt Debbie van Ruler van De Snip uit Nieuwe Niedorp. “Kinderen hebben echt goed gekeken naar hun eigen talenten en daar op gesolliciteerd. Uit hun midden hebben ze ook een teamleider aangewezen, die doet de coördinatie. Als leerkracht ben je er vooral om te coachen en bij te sturen waar nodig. Verder doen de kinderen alles zelf.” Het team van De Snip bestaat uit dertien kinderen uit groep 7/8 van de Plusklas. “Ze hebben al sponsors benaderd, een ontwerp gemaakt voor het logo, T-shirts, en de auto, en nu zijn ze op zoek naar de goedkoopste drukker. Het PR-team benadert de pers, ze hopen het Jeugdjournaal te kunnen interesseren. Het zou erg leuk zijn als dat lukt.”

Coureurs en grid girls
Marco Janssen van De Peppel uit Middenmeer is onder de indruk van de betrokkenheid van de kinderen. “De kinderen die normaal direct na schooltijd vertrokken zijn, blijven nu elke middag hangen om te werken aan de RC Cup. Dat is mooi om te zien.” Dat enthousiasme zat er al direct in. “We moesten de teamindeling nog maken en toen riep een van de kinderen al dat zijn vader wel wilde sponsoren. Het ging bijna als vanzelf rollen. Nu zijn ze volop aan het oefenen met rijden en het team dat over sponsoring gaat, is bezig sponsorpakketten te ontwikkelen. Ze broeden nog op een naam, werken aan een mascotte en zijn volop aan het vloggen. Die filmpjes willen ze uiteindelijk verwerken in een totale presentatie. Verder bedacht een paar meiden dat zij wel ‘grid girl’ willen zijn, en flyers willen uitdelen. Prima, doe maar. Ze zijn echt onwijs enthousiast.” De eerste tegenvaller heeft zich ook al voorgedaan. “De auto werkte niet, uiteindelijk bleek dat ze een snoertje waren vergeten aan te sluiten. Dat krijg je als je niet eerst de gebruiksaanwijzing leest.”

 

Aan de zijlijn
“We hebben twee teamleiders aangewezen en zij hebben zich gebogen over de teamindeling”, vertelt Kelly Jansen, leerkracht van groep 7/8 van Zandhope in ’t Zand. “Inmiddels heeft iedereen zijn eigen rol en is helder wat de taken zijn. De teamleiders sturen de verschillende teams aan, dat doen ze heel goed. Verder zijn zij ook het aanspreekpunt voor mijn collega Jeroen van Dijk en mij. Wat je ziet, is dat kinderen heel goed weten waar hun talenten liggen en daar ook goed mee aan de slag gaan. Ze doen echt wat bij hen past.” Jeroen en Kelly stellen zich coachend op aan de zijlijn. “De kinderen hebben helemaal in hun hoofd hoe ze het willen doen. Volgende week gaan de monteurs aan de slag, en dan kunnen de coureurs gaan oefenen met racen. Spannend!”

 

Zelfvertrouwen groeit
De kinderen van groep 8 van de Niko Tinbergenschool in Schagen houden een logboekje bij van hun RC Cup activiteiten, vertelt leerkracht Liesbeth Zut. “Het PR-team gebruikt deze informatie voor de presentatie van het totale RC-team.” In deze voorbereidingstijd valt Liesbeth een aantal dingen op. “Sommige kinderen kunnen al goed verwoorden waarom zij geschikt zijn voor een bepaalde taak, anderen zeggen alleen maar: ‘het lijkt me leuk’. Een meisje wilde graag in het financiële team en vroeg zich af of dat kon omdat ze niet goed kan rekenen. Gelukkig zijn er rekenmachines, dus dat leek mij geen bezwaar. Nu is ze zo trots dat ze in dat team zit, je ziet haar zelfvertrouwen groeien.” De kinderen nemen hun taak allemaal erg serieus. “De vriendjes van de coureurs wilden maar al te graag ook betrokken zijn bij het racen, maar zij werden weggestuurd omdat de coureurs niet van hun taak willen worden afgeleid. Ze zijn zich ervan bewust dat er straks echt iets van ze wordt verwacht.” Liesbeth geniet van de zelfwerkzaamheid van de kinderen, maar: “Ik vind het soms lastig om te moeten loslaten. Wat helpt, is dat ik mooie dingen zie ontstaan. Dat kinderen hun verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld. ‘Juf, wilt u deze sponsorbrief nu lezen, want die moet vandaag de deur uit’, dat soort dingen. Ze snappen waar ze mee bezig zijn.

 


]]>
<![CDATA[Exploreon: nieuwsgierigheid kleuters behouden]]>

De Meerpaal in Anna Paulowna werkt in stappen aan de introductie van Exploreon, waarbij de nadruk ligt op onbevangen en spelend leren. Het doel is de natuurlijke nieuwsgierigheid van kleuters ook in de groepen 3 en 4 vast te houden. De introductie bevindt zich in de aanvangsfase. De leerkracht introduceert het onderzoekend leren, dit is nog leerkrachtgestuurd. Kinderen formuleren zelf hun vragen en gaan daarna op onderzoek uit. Er is veel ruimte voor eigen keuzes.

“We beginnen de dag met de cognitieve vakken: rekenen, lezen en spelling”, vertelt Marianne Stroomer, projectleider Exploreon. “De kinderen mogen zelf kiezen op welke manier zij willen leren. Schrijven kun je bijvoorbeeld in een schrift doen, maar ook bij de zandtafel, met scheerschuim of op het digibord. Daar moesten ze in het begin even aan

 

 

wennen, maar nu zie je dat ze het oppakken. Ze krijgen goed inzicht in wat wel en niet bij hun leerstijl past. Omdat ze meer zelf bepalen, zijn ze ook meer betrokken. Daarbij is er ruimte om fouten te maken. Dat geeft lucht. Ze zijn heel bruisend bezig, op deze manier is leren leuk.”


Wat wil ik ervan leren?
’s Middags werken de kinderen aan een thema. Rond de Kinderboekenweek was dat ‘jong en oud’ en nu zijn we bezig met het thema ‘feesten’. De kinderen kunnen zelf onderzoeksvragen bedenken, die noteren ze op de vragenmuur. Zo leren ze zelf formuleren: wat wil ik ervan leren, en hoe ga ik dan mijn onderzoek aanpakken? Vervolgens gaan ze met elkaar brainstormen om ideeën te verzamelen.” Doen ze dat dan allemaal zelf? “Nee, de leerkracht neemt ze stap voor stap mee in het proces, dus zo leren ze hoe ze onderzoek moeten doen. Gaandeweg leren ze allerlei vaardigheden aan en verzamelen ze kennis.”


Ouders aan de slag
Voordat de leerkrachten met de kinderen aan de slag gingen, hebben zij eerst de ouders geïnformeerd. “We hebben tekst en uitleg gegeven tijdens de ouderavond en tijdens het koffie-uurtje konden ze binnenlopen met vragen. Begin december organiseren we de eerste workshop voor ouders, dan gaan zij zelf ervaren wat de kinderen in de klas doen. Daarvoor gebruiken we een thema waar de kinderen op dat moment aan werken.” Deze werkwijze is ook nieuw voor het team. Dat vraagt wat aanpassingen, vertelt Marianne. “We hebben een aantal teamvergaderingen geschrapt zodat we meer tijd hebben om te werken aan het thema per bouw, elkaar op de hoogte te houden en met elkaar mee te denken. Wat fijn is: iPabo en Nemo zijn bij Exploreon betrokken en zij denken ook mee.”


Volgende fase
In de volgende fase wordt de leeromgeving aangepakt, zodat kinderen ook van daaruit geprikkeld worden om onbevangen en spelend te leren. “Daarna volgt de eindfase. Dan willen we wetenschap en techniek volledig geïntegreerd hebben in ons onderwijs.” Blijf ParaMeter volgen, dan kun je binnenkort meer lezen over de ontwikkeling van Exploreon op de Meerpaal.

 


]]>
<![CDATA[Herken je talent op het leerplein]]>


Twee meisjes uit groep 1 spelen met de Beebot. Twee jongens en een meisje uit groep 4 zijn aan het chillen in de yoga-/meditatie-/filosofieruimte. Aan de lange tafel in het midden van de ruimte werken twee leerlingen van groep 5 aan hun woordenschat. Weer een andere leerling ontwikkelt zijn programmeerkennis op de ‘kano’. Op het leerplein van De Zandhorst in Breezand staat Samen Leren centraal. ‘Door kinderen zelf te laten ervaren en doen, proberen we ze tot leren te laten komen.’

 

Onderwijs uit de klas

Op De Zandhorst is de hal – op de begane grond en op de eerste verdieping – omgedoopt tot ‘leerplein’. Op de muur staat met grote letters ‘Samen Leren’. “We willen het onderwijs wat meer uit de klas halen en tegelijkertijd inspelen op onderwijsvernieuwing”, vertelt directeur

 

 

Iris Tadic Fadjil. “Daarbij richten we ons niet alleen op high tech en ICT, maar ook op de natuur, filosofie en theater. Vandaar dat je op ons leerplein zowel een 3D-printer, een vinylsnijder en een Beebot vindt als een yoga-/meditatie-/filosofiehoek, een natuurhoek en een klein theater.” Het mooie van het leerplein is ‘dat leren meer een beleving wordt’, vindt Iris. “Dit is heel anders dan leren vanuit een boekje. Door zelf te ervaren en te doen, samen met andere kinderen, gaan onderwerpen meer leven en blijft de informatie beter hangen.” Die reacties

krijgt het team ook terug van ouders. “Nu we ook met nieuwe methodes werken voor wereldoriëntatie – De Regenboogwereldkist en De Spectrumbox – zijn kinderen veel meer betrokken en vertellen ze thuis waar ze mee bezig zijn op school. De drive om te leren is groter.”

 

Experts leggen uit

In groep 5 tot en met 7 zijn experts aangewezen die andere kinderen van De Zandhorst tekst en uitleg geven over het onderwerp waarin zij expert zijn. “Die verantwoordelijkheid leggen we bewust niet alleen bij leerkrachten neer. Op deze manier moeten kinderen zichzelf verdiepen in een onderwerp en er vervolgens over nadenken hoe ze dat aan een ander uitleggen. Door ze zelf te laten ervaren en doen, proberen we ze tot leren te laten komen. Voordeel is ook dat ze in contact komen met kinderen van andere groepen en zo van elkaar kunnen leren. Op dit moment zie je kinderen van diverse leeftijden met elkaar samenwerken op het leerplein, die uitwisseling is mooi om te zien. Kinderen krijgen er meer zelfvertrouwen van, ze leren presenteren, ontdekken waar ze goed in zijn, en aan wie ze hulp kunnen vragen voor de dingen die ze zelf niet zo goed kunnen. Het vergroot hun vaardigheden én hun zelfkennis. Naast leerresultaten, vinden we dat ook heel

belangrijk.”

 

 

Op de zitzakken

Senna en Romy (beide 4) laten de Beebot een traject afleggen op het leerplein. Ze programmeren hem via de iPad. Juf Romy vertelt: “Ze moeten bepalen welke stappen de robot zet: rechtdoor, linksaf of rechtsaf. Later kun je daar sommen of woordjes aan toevoegen: dan laat je de robot naar twee getallen gaan waarmee je een keersom maakt. Of de Beebot wijst een woord aan waarvan je de betekenis moet geven.” Najima (10) en Cailleigh (9) zijn experts van de yoga-/meditatie-/filosofiehoek. “Wij leggen de kinderen uit hoe de yoga-oefeningen werken. We laten kaartjes zien en zij moeten de oefening van het kaartje nadoen.” De kinderen zitten soms op de zitzakken om ‘met elkaar te praten over problemen’ vertellen ze. “Soms vinden ze het wel lastig om naar elkaar te luisteren.” Over wat je ervan leert: “Om elkaar te

vertrouwen.”

 

 

Toneelstukjes maken

Daphne, Rosalie en Ursula (alle drie 8) zijn natuurliefhebbers die ‘aaaaaaaltijd buiten spelen’, dus zijn zij de experts van de natuurhoek. “Wij laten kinderen de opdrachtkaarten zien en leggen uit hoe ze ermee moeten werken.” Ze laten alle ‘schatten’ van de natuurhoek zien: edelstenen, veertjes in potjes en een houten slang. “Mooi hè?” Jim (9), Olle (11), Djeamy en Thusjanthan (beide 10) vertellen graag over ‘hun’ hoek: het theater. “We bedenken spelletjes waarmee kinderen toneelstukjes kunnen maken. Door bijvoorbeeld een zin op te geven: je bent een bouwvakker, je zit in de ballenbak en je moet huilen. Daar moeten ze dan een stukje bij bedenken.” De jongens hebben zelf allemaal zo hun eigen talenten, van grapjesmaker en poppenspeler tot toneelspeler.

 

Iris en haar team glimmen van trots als ze de kinderen zo enthousiast horen vertellen. “We zijn nog maar net met het leerplein begonnen, maar ze begrijpen onze aanpak al heel goed en zijn er ontzettend enthousiast over. Dat is voor ons een bevestiging dat we op de goede weg zitten.”

 

Het leerplein van De Zandhorst wordt vrijdag 3 juni a.s. voor publiek geopend. Vanaf 18.30 uur bent u van harte welkom op
Obs De Zandhorst
Pastoor Verhoeffpark 114
1764 GS Breezand
0223 – 52 14 62


]]>
<![CDATA[Promofilm techniektrofee op Zwerm]]>  


Met trots publiceren wij hieronder het filmpje dat is gemaakt tijdens de uitreiking van de Techniektrofee op De Zwerm door TechniekTalent.nu als promotiefilmpje voor volgend jaar. Het is een ontzettend leuk en enthousiasmerend filmpje geworden.


]]>
<![CDATA[Zonne-energie voor Surplusscholen]]>

Op de daken van acht Surplusscholen worden zonnepanelen geïnstalleerd. Dit is mogelijk gemaakt met behulp van een subsidie van de gemeente Schagen. De gemeente hecht veel waarde aan duurzaamheid en wil kinderen hiervan al op jonge leeftijd bewust maken. De scholen gaan dan ook aan de slag met dit thema; Stichting Noord-Holland Zon geeft invulling aan het educatieve element. Op 20 maart luidt het officiële startschot.

Het plaatsen van zonnepanelen vraagt een investering, maar het levert ook wat op, vertelt Ton Dekkers, die binnen Surplus verantwoordelijk is voor huisvesting. “Per jaar kan de school hiermee zo’n 600 tot 700 euro aan elektriciteitskosten besparen. De panelen gaan zo’n twintig tot dertig jaar mee, dus dat loopt lekker op.” In de periode van 16 tot en met 27 maart worden acht Surplusscholen voorzien van zonnepanelen; voor het einde van 2015 moeten alle Schager scholen van panelen zijn voorzien. De gemeente stelde als voorwaarde voor het verstrekken van de subsidie dat er ook een educatief element aan gekoppeld zou zijn voor de scholen. “Voor de installatie zijn wij de samenwerking aangegaan met Kenniscentrum Noord-Holland dat aangaf ook de educatieve component te kunnen invullen.” Een aspect daarvan wordt gelijk met de installatie van de panelen gerealiseerd. “Via een monitor kunnen de leerkrachten en de leerlingen elk moment van de schooldag de opbrengst van de panelen volgen.”

 

Eigen zonnecel maken
“Vanuit het Kenniscentrum werken wij met een aantal partners samen in de Stichting Noord-Holland Zon. Solar Electricity is er daar een van, samen met dit bedrijf verzorgen wij de installatie van de panelen op de daken van de Surplusscholen”, vertelt Michel van Schaijk, algemeen directeur van Kenniscentrum Noord-Holland. “Wij geven ook samen invulling aan de educatieve component. Daarvoor hebben wij in overleg met de schoolleiders de wensen en mogelijkheden van de Surplusscholen geïnventariseerd. Op basis daarvan ontwikkelen wij een aanbod waarmee de scholen na de komende zomervakantie aan de slag kunnen.” Waar zou dat aanbod uit kunnen bestaan? “Voor een eerdere opdracht hebben we bijvoorbeeld een bus ingehuurd die langs de scholen ging waar leerlingen hun eigen zonnecel konden maken, die vervolgens een speelgoedtreintje kon laten rijden. Zo kun je kinderen leren hoe zonlicht wordt omgezet in elektriciteit.” Overigens gaat het leereffect vaak verder dan alleen de kinderen, weet Van Schaijk. “Kinderen vertellen thuis vaak enthousiast over wat ze op school leren, en zo krijgen de ouders er ook nog iets van mee.”

 

Startschot
De acht Surplusscholen die betrokken zijn bij het project zijn De Keerkring, de Burgemeester De Wildeschool, Hendrik Mol, de Niko Tinbergenschool, De Tender, de Julianaschool - locatie Julianalaan, De Meerkoet en De Zwerm. Op 20 maart geeft wethouder Jelle Beemsterboer het officiële startschot voor het zonnepanelenproject bij De Zwerm in Sint Maarten. Dekkers: “De wethouder stond in zijn periode als raadslid al aan de wieg van dit voorstel, dus hij is hier graag bij aanwezig.”
 


]]>
<![CDATA[Bestuur raadpleegt leerlingen over beleid]]>

Staan we nog voor dezelfde speerpunten? Is onze visie nog onze visie? Om de paar jaar is het tijd om deze zaken weer eens te herijken. Natuurlijk kun je dat allemaal bedenken vanachter een bureau of tijdens brainstormsessies met directeuren en leerkrachten. Maar waarom de kinderen er niet bij betrekken? Ons onderwijs is immers op hen gericht. Directeuren Nel Groet en Peter Smit gingen in gesprek met zestig groep 8’ers. Dat leverde verrassende input op.

 


Peter Smit – directeur van De Peppel in Slootdorp – en Nel Groet – directeur van De Mient in Nieuwe Niedorp en De Kolk in Lutjewinkel – maakten een tournee langs verschillende Surplusscholen. “Wij hebben de kinderen vooral laten reageren op speerpunt 2: kindgericht onderwijs”, vertelt Nel. “Als je alle input op een rijtje zet, kom je uiteindelijk uit op de zaken die wij ook belangrijk vinden: zelfsturend en uitdagend onderwijs en de ontwikkeling van 21st century skills. Over de manier waarop we daar invulling aan geven, zijn ze alleen nog niet zo tevreden. Ze vinden dat de leerkracht nog te veel bepaalt, kinderen willen meer zelf kiezen. Ze vinden dat de leerkracht nog beter zou kunnen luisteren naar hun wensen en behoeften.” Zo zou de weektaak meer lege plekken moeten bieden die leerlingen de kans geven om te werken aan iets waar ze nog niet zo goed in zijn. “Ik heb ook gevraagd of ze in dat vrije moment niet liever zouden gaan voetballen, maar nee: ze komen echt naar school om te leren.”


Beter luisteren
Je zou denken dat kids van nu helemaal gaan voor digitaal onderwijs, maar: “Kinderen zien de toegevoegde waarde van ICT niet, tenzij het gaat om serious games. Het is wel handig dat het programma zich aanpast aan het niveau van het kind, maar: dat doet het boek ook. En omdat het programma je door de stof heen leidt, krijg je minder persoonlijke aandacht van de leerkracht. Bovendien ziet de leerkracht nog wel eens iets door de vingers, dat doet een softwareprogramma niet.” Ook bij methodes voor sociale vaardigheden plaatsen kinderen vraagtekens. “Trainingen zoals Rots & Water en Marietje Kessels werken wel, omdat kinderen dan echt ervaren hoe het is om gepest te worden, dat blijft meer hangen. Maar programma’s als Goed Gedaan ontstijgen vaak het niveau van de papieren tijger niet, na een tijdje verslapt de aandacht ervoor en is het effect weg.”


Zelf doen
De gesprekken met de kinderen hebben een lijst van aanbevelingen opgeleverd voor bestuurder José Vosbergen. “Wij adviseren onder meer om op alle scholen een leerlingenraad te installeren voor de nodige inbreng vanuit de kinderen. Kinderen willen meer ruimte om te kunnen werken aan eigen onderzoeksvragen. Ook hebben ze behoefte aan meer afwisseling als ze moeten oefenen met stof waar ze nog niet zo goed in zijn. Kinderen die geen instructie nodig hebben, vinden het zonde om daar toch aan te moeten deelnemen, die tijd besteden zij liever aan het uitwerken van opdrachten.” Wat de kinderen betreft, mag het onderwijs uitdagender worden. “Je ziet duidelijk elementen van breinfijn leren terug. Zo zei een van de kinderen: ‘We willen niet lezen hoe een proefje gaat, we willen ‘m zelf doen.’”


Kanttekening
Nel plaatst wel een kanttekening bij alle input. “De gesprekken vonden plaats in augustus. Aan het begin van het schooljaar zetten leerkrachten vaak een strak beleid in, in de loop van het schooljaar laten ze de touwtjes vaak wat meer vieren. In juni zou de opbrengst anders kunnen zijn.”
José neemt de aanbevelingen mee in de herijking van speerpunt 2. De kinderen vonden het ‘heel tof’ dat hen om hun mening werd gevraagd. “Ik ga ze binnenkort allemaal een brief sturen om te vertellen hoe wij hun input terugkoppelen aan ‘de grote baas’ van Surplus.”


]]>
<![CDATA[Animatiefilm passend onderwijs]]>

Een animatie die in 3 minuten uitlegt wat passend onderwijs inhoudt! Onder andere de zorgplicht voor scholen, de samenwerkingsverbanden met reguliere en speciale scholen en de verdeling van het geld voor extra ondersteuning komen aan bod. Verhelderend, vinden wij.

Meer info op www.passendonderwijs.nl en op www.stichtingsurplus.nl/Voor-ouders/Ons-onderwijs/Passend-onderwijs .

 

 


]]>
<![CDATA[DiscrimiNEE op De Zandhorst]]>

Op 15 mei - onze Dag tégen discriminatie - was er op alle Surplusscholen aandacht voor gelijkwaardigheid en de Rechten van het Kind. Zo ook op de obs De Zandhorst in Breezand. Ze maakten er dit filmpje over:

 

 


]]>
<![CDATA[Reken scholen niet af op hun cito-scores]]>

Het zal u niet zijn ontgaan. RTLNieuws heeft een lijst gepubliceerd met rapportcijfers voor alle basisscholen in Nederland. Deze cijfers zijn gebaseerd op de cito-scores van de scholen tussen 2009 en 2012. Stichting Surplus is in principe voor transparantie. Ook moet gezegd dat de berekening van RTLNieuws is gebeurd met aandacht voor de verschillen tussen scholen voor wat betreft leerling-populatie. Echter, aan de lijst van RTL kleeft in elk geval één groot bezwaar: scholen komen op een best-minder-slecht ranglijst te staan uitsluitend op basis van hun cito-scores. Waarom maakt Surplus daartegen bezwaar?

De gemiddelde score van kleine scholen is een momentopname
Stel dat op een kleine school van zestig leerlingen ongeveer zeven leerlingen de cito-eindtoets maken. De uitkomst zal dan grotendeels op toeval berusten. Het ene jaar maken in het klasje van slechts zeven leerlingen misschien wel vijf potentiële vmbo-leerlingen de toets, het volgende jaar vijf potentiële vwo-leerlingen. Een momentopname dus.
De kleine Surplusscholen obs De Zandhorst en obs Zandhope krijgen op de RTLNieuws lijst een onvoldoende. Dit zijn cijfers tot 2012. In 2013 lagen de gemiddelde cito-scores op beide scholen hoger en zouden volgens de RTL-systematiek tot een 6 hebben geleid.


De cito-toets moet worden gebruikt waarvoor hij is bedoeld

Bijna alle leerlingen in groep acht van de basisschool maken deze toets. Mede op basis van het resultaat wordt bepaald naar welk niveau middelbare school ze gaan. Daarvoor is de toets bedoeld: ‘Welk soort onderwijs is het juiste vervolgonderwijs voor deze leerling?’ De cito-toets is niet bedoeld als instrument om scholen met elkaar te vergelijken. Ook Cito zelf waarschuwt hiervoor.


We moeten ouders niet stimuleren om alleen naar cito-scores te kijken

Een goede school is meer dan cito-scores. Op een goede school is er aandacht voor de sociaal-emotionele, culturele en sportieve ontwikkeling van leerlingen, er is aandacht voor het welbevinden van de leerlingen en er wordt niet gepest. Dit alles wordt met de cito niet gemeten. Bovendien zeggen de cito-scores alleen iets over groep 8.


Welke gegevens geven ouders een beter beeld?

Wilt u inzicht in hoe een school het doet op meerdere fronten, bekijk dan het rapport over de school van de Inspectie van het Onderwijs op www.onderwijsinspectie.nl.
Surplus telt overigens op dit moment geen zwakke scholen volgens de waardering van de onderwijsinspectie.
Samen met het Ministerie van OC&W en de Inspectie van  het Onderwijs komen Surplus en collega-schoolbesturen  in het voorjaar van 2015 met Vensters PO. Via dit systeem kunt u straks zelf informatie over onze onderwijsopbrengsten, leerlingpopulatie, financiën en personeel inzien en vergelijken.
Zoekt u een school voor uw kind, lees dan ook onze tips op onze website.
Wilt u meer informatie over de school van uw kind, neem dan vooral contact op met de directeur.
 


]]>
<![CDATA[Aandacht onderwijskwaliteit: hoe zit het bij Surplus?]]>

‘Een grote groep scholen voldoet net aan de minimum kwaliteitseisen; heel weinig scholen presteren écht goed’, dat staat in het gisteren gepresenteerde jaarverslag van de Inspectie van het Onderwijs. De bestuurder van Surplus laat weten dat de scholen van Surplus niet van plan zijn te worden gekenmerkt door middelmatigheid. ‘Door een grote focus op onderwijskwaliteit zijn de opbrengsten van alle Surplusscholen op niveau, en de kwaliteit moet verder omhoog’, stelt bestuurder José Vosbergen. ‘Alle kansen van de wereld is geen loze slogan voor ons’.

 

Opbrengstgericht werken
In het jaarrapport van de inspectie staat dat er nog nauwelijks zwakke en zeer zwakke scholen zijn in Nederland. ‘Op zich positief maar daarna houdt het op’, stelt de inspecteur-generaal van de inspectie: “Nederland kent heel erg weinig excellerende leerlingen en scholen. Het aantal goed presterende leerlingen lijkt zelfs af te nemen de laatste jaren.'' (Bron: ANP)
“Wat de landelijke trend is, daar gaan wij niet over”, reageert Surplus-bestuurder José Vosbergen. “Maar voor Surplus klopt deze conclusie in elk geval niet. Wij hebben zeven ambitieuze speerpunten waarvan de eerste twee ‘opbrengstgericht werken’ en ‘kindgericht werken’ zijn. Al onze scholen werken met trendanalyses en zoeken dus voortdurend naar manieren om meer uit kinderen te halen.”
De bestuurder maakt jaarlijks met elke directeur afspraken over de structurele en substantiële verhoging van de opbrengsten. De Surplus directeuren hebben zelf een nieuwe lerende organisatiestructuur opgezet die er in de eerste plaats op is gericht om hun onderwijskundig leiderschap  te vergroten. Zij voeren bij elkaar audits uit. Daarnaast doet Surplus praktijkgericht onderzoek – i.s.m. Hogeschool InHolland – om met de specifieke resultaten het onderwijs te verbeteren.

 

Excellente leerlingen
Dat Nederland weinig excellerende leerlingen zou kennen, zal alvast niet liggen aan het (gebrek aan) aanbod in deze regio voor kinderen die meer kunnen dan gemiddeld. Het Samenwerkingsverband Kop van Noord-Holland heeft in 2012 vijf Plusklassen opgericht voor hoogbegaafde basisschoolleerlingen. Surplus heeft een expertisecentrum (hoog)begaafdheid dat de kennis en vaardigheden van leerkrachten op het gebied van begaafdheid verder vergroot en enkele ‘Kangoeroegroepen’ voor zogeheten ‘meerkunners’.

José Vosbergen: “We hebben met elkaar afgesproken dat over drie jaar iedere Surplusschool een professioneel lerend team heeft waarin teamleden elkaar aanspreken op de gezamenlijke realisatie van ons strategisch beleid.  En dat is ‘Alle kansen van de wereld creëren’ voor ieder kind op een Surplusschool.”
 


]]>
<![CDATA[Kleine scholen vragen maatwerk]]>


Onlangs adviseerde de Onderwijsraad aan het kabinet om basisscholen met minder dan 100 leerlingen te sluiten. Vanaf 2019 is voor deze kleine scholen geen toekomst meer vanwege de krimpende bevolking en dus de krimpende leerlingaantallen, zo stelt de raad. De hoogste tijd om op een rijtje te zetten hoe Stichting Surplus tegen de toekomst aankijkt. Immers, onze stichting telt veel kleine scholen.

 

Surplus deelt het standpunt van de Onderwijsraad niet dat een school onder de 100 leerlingen sowieso niet levensvatbaar is. Dat zou in deze regio een enorme kaalslag betekenen. Surplus kijkt liever naar de situatie van elke school afzonderlijk. Daarom is Surplus bezig met het maken van een integraal krimpplan. Als de mogelijkheid bestaat dat een school moet fuseren, treden wij daarover in een vroeg stadium in overleg met de ouders. Maar hoewel het maatwerk is, hanteren we wel een aantal uitgangspunten.

De mogelijkheid om een school zelfstandig te laten voortbestaan, hangt af van drie zaken: de onderwijskwaliteit, de continuïteit van de instroom van kleuters over een reeks van jaren, de geografische ligging en de financierbaarheid.

 

Onderwijskwaliteit
De onderwijskwaliteit stelt eisen aan een team van leerkrachten. Passend onderwijs, opbrengstgericht werken, lesgeven aan combinatieklassen en het ontwerpend en ontdekkend leren van kinderen vragen om veel scholing van het team en betekenen een intensivering van het dagelijks werk. Dat is voor een klein team een enorme investering: de taken en deskundigheden kunnen niet over meerdere collega’s worden verdeeld. Daarbij komt dat voor de honderd-en-een activiteiten die een school organiseert, het niet veel uitmaakt voor hoeveel kinderen je deze organiseert, de hoeveelheid werk is hetzelfde. Echter, op een kleine school moeten deze activiteiten door een handjevol mensen worden georganiseerd en gecoördineerd.
De druk op een klein team blijkt in de praktijk onevenredig hoog te zijn. Dat kan een aantal jaren goed gaan, maar steeds vaker blijkt het op langere termijn niet meer op te brengen: de gevolgen zijn dan ziekteverzuim, leerkrachten die niet meer kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen en aan de druk, mede veroorzaakt doordat iedere onverwachte gebeurtenis direct een groot effect heeft.
Klopt het dan niet dat het tegenwoordig weer beter gaat met de kwaliteit van kleine scholen? Dat het percentage zeer zwakke kleine scholen in Nederland in twee jaar tijd meer dan gehalveerd is? Ja, dat klopt maar daar waren in de meeste gevallen enorme financiële en personele injecties voor nodig. Ook bij Surplus heeft de kwetsbaarheid van kleine scholen ertoe geleid dat de laatste jaren op meer dan de helft van deze scholen extra (dure) noodmaatregelen moesten worden genomen om de kwaliteit te kunnen garanderen.
De kwetsbaarheid zit niet alleen in het team maar ook in de kinderen. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen is het nodig dat groepen voldoende groot zijn opdat zij goed leren samenwerken en leren omgaan met verschillen. Is het dan wenselijk dat zij opgroeien in een zeer klein kringetje van leeftijdsgenoten?
De opvatting bestaat dat een kleine school voordelen biedt voor de ontwikkeling van kinderen, zoals de geborgenheid en de korte lijnen, maar deze opvatting is niet te staven met onderzoeksresultaten. De ervaring van Surplus is dat deze voordelen van kleine scholen meestal niet opwegen tegen de nadelen.

De continuïteit van de instroom
Veel van onze kleine scholen hebben nu nog een redelijk gevulde bovenbouw, maar lopen snel terug in leerlingaantallen door een beperkte instroom van vierjarigen. Als er op middellange termijn geen stabilisatie is van de instroom  boven de vijf leerlingen per jaar, spreken wij van te weinig continuïteit. Dit zou immers leiden tot een school van minder dan veertig leerlingen, wat wij niet meer levensvatbaar vinden.

 

De geografische ligging
Ook Surplus vindt dat kinderen van de basisschoolleeftijd in de buurt naar school moeten kunnen gaan. Fietsend of lopend, samen met vriendjes en vriendinnetjes uit die buurt. Als er binnen vijf kilometer van een te kleine school een andere levensvatbare school staat, vinden wij dat we de te kleine school mogen sluiten. Immers, er is dan een thuisnabij alternatief voor de ouders en de leerlingen. In principe zou deze te kleine school dan kunnen ‘opgaan’ in een grotere school. Soms kan daarbij een vestiging in enkele jaren worden afgebouwd, soms is een andere oplossing verstandiger zoals het oprichten van een samenwerkingsschool van bijzonder en openbaar onderwijs. Soms worden nog andere alternatieven onderzocht.
 
De financierbaarheid
Hoewel een leerling van een kleine school veel duurder is dan die van een grote school, is dit niet het directe probleem. In de paragraaf over de kwetsbare onderwijskwaliteit noemden wij al de benodigde zware financiële injecties om het hoge ziekteverzuim en andere gevolgen van overbelasting van kleine teams op te vangen. Dit hakt flink in op de budgetten van Surplus. Het probleem met de financierbaarheid zit daarnaast voor een groot deel in de kosten van het gebouw. Schoolbesturen kampen nu al met structurele tekorten in de bekostiging door de overheid van de huisvesting van scholen. Het wordt dan ook steeds moeilijker om leegstand te financieren. Voor het onderhoud van lege lokalen krijg je als schoolbestuur geen geld. Bovendien dalen bijvoorbeeld de energiekosten van een schoolgebouw of de kosten voor het onderhoud van de gymzaal niet evenredig mee met het aantal kinderen dat er gebruik van maakt.

Al deze kosten van kleine scholen samen, drukken disproportioneel zwaar op de andere scholen van Surplus. Het is de verantwoordelijk¬heid van Surplus om doelmatig om te gaan met het budget voor alle scholen. In de toekomst zullen we daarin pijnlijke keuzes moeten maken.   
 
Moeilijke afwegingen
Er is sprake van een snelle daling van de leerlingaantallen in onze regio. Daarom stellen wij nu al scenario’s op voor de komende tien jaar. Wij kunnen niet onnodig lang ondoelmatig omgaan met kwaliteitseisen, mensen en publieke middelen. Dat zou strijdig zijn met de kernopdracht die wij van u, de inwoners van deze regio, hebben gekregen.
We kijken daarbij ook naar dorpen met meerdere scholen van over de 100 leerlingen waar te weinig kleuters instromen. Ook daar kan sprake zijn van weinig doelmatig omgaan met publieke middelen.
Surplus gunt elk dorp in de Kop van Noord-Holland van harte zo lang mogelijk tenminste één eigen en goede school. We ontkomen echter niet aan de demografische ontwikkelingen en zullen bovengenoemde criteria regelmatig moeten afwegen.
 


]]>
<![CDATA[OGO-school scoort hoger op leesmotivatie]]>


Tijdens het schooljaar 2011-2012 heeft een groep pabostudenten van InHolland op een aantal Surplusscholen onderzoek gedaan naar begrijpend lezen. Het doel van dit onderzoek was tweeledig: de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden bij toekomstige leerkrachten én het  verzamelen van meer informatie over de succesfactoren van begrijpend lezen. Onlangs presenteerden de studenten de resultaten aan de directeuren van Surplus.

 

Bij het onderzoek waren diverse Surplusscholen betrokken en werden verschillende onderzoeksvragen geformuleerd. Zo vroeg de Julianaschool uit Schagen zich af of er een verschil is in de leesmotivatie van kinderen die begrijpend lezen krijgen aangeboden op een OGO-school – zoals de Julianaschool – of op een methodegebonden school. Bij dit onderzoek werden methodegebonden Surplusscholen De Sluis, De Springschans, Torenven en Alvitlo betrokken, vertellen studenten Evelien Pater, Hester Leenders en Rojanne Jong. “Het onderzoek richtte zich op de groepen 5 tot en met 8. We hebben ook de leerkrachten gevraagd een enquête in te vullen.” De leesmotivatie werd verdeeld in zeven schalen, waaronder nieuwsgierigheid en interesse, leesplezier, voorkeur voor uitdaging en de relevantie van lezen. Het onderzoek wijst uit dat het met de leesmotivatie op alle scholen goed zit. Op een schaal van 0 tot 4 scoren de scholen tussen een kleine 2,5 en bijna 3,5. Ook blijkt dat er ‘een klein, maar significant verschil’ in leesmotivatie is tussen OGO-scholen en methodegebonden scholen. “Op zes van de zeven motivatieschalen scoren de OGO-scholen hoger”, zetten de studenten uiteen. Alleen op het punt van self efficacy doen de methodegebonden scholen het beter. “Self efficacy zegt iets over het vertrouwen in eigen kunnen, in dit geval de vaardigheid om teksten te lezen en te begrijpen.

 

Teksten zoeken
Uit een enquête onder leerkrachten blijkt dat OGO-scholen meer informatieve boeken gebruiken voor zaakvakken en dat de leerkrachten kinderen vaker zelf relevante teksten laten zoeken bij de leerstof. “De leerkrachten van OGO-scholen zoeken ook zelf teksten die de kinderen aanspreken, terwijl methodegebonden scholen vaker kiezen voor de teksten uit de methode voor begrijpend lezen. Verder maken kinderen op OGO-scholen vaker begripsvragen, opdrachten en werkstukken over de teksten die zij hebben gelezen.” De studenten adviseren de scholen om met name de groepen 7 en 8 te blijven motiveren met lezen. “Wij kunnen namelijk in de resultaten terugzien dat deze groepen minder gemotiveerd zijn dan de groepen 5 en 6.” Thomas Bakker, directeur van De Sluis in Anna Paulowna, is blij met de onderzoeksresultaten. “Onze school kwam er goed uit. Alleen de betrokkenheid van kinderen bij begrijpend lezen zou beter kunnen. Dit gaan we aanpakken door de lessen meer ‘breinfijn’ aan te bieden. Dat betekent: meer inspelen op de beleving van kinderen en zo de betrokkenheid stimuleren.”

Sabrina Burger en Tamara Verkerk verdiepten zich in de aansluiting tussen begrijpend leesstrategieën en de Citotoetsen begrijpend lezen, respectievelijk op De Dubbele Punt en de Julianaschool. Tamara: “Leerlingen van de Julianaschool halen schoolbreed lagere scores voor begrijpend lezen. Het lijkt erop dat er onvoldoende aansluiting is tussen  de leesstrategieën van de school en die waarop de Citotoetsen zijn gebaseerd.” Haar onderzoek maakt duidelijk dat de Julianaschool enerzijds leesstrategieën aanbiedt die niet door Cito worden getoetst, terwijl Cito leesstrategieën toetst die de Julianaschool niet aanbiedt. Zij raadt de school aan het aanbod op de toetsen af te stemmen. “En op basis van Citotoetsen van de afgelopen jaren kan de school zelf een analyse maken van het niveau van de leesstrategieën.” Sabrina dook op De Dubbele Punt in de probleemstelling welke leesstrategieën in het begrijpend leesonderwijs

 

 

vanuit de methodes Taalleesland en Nieuwsbegrip de leerkracht meer centraal moet stellen in groep 4 om de Citoresultaten te verbeteren. Het onderzoek maakt duidelijk dat leesstrategieën zoals het benoemen van de tekstsoort en oriëntatie op de structuur van de tekst goed scoren. Daar tegenover staan slecht scorende leesstrategieën zoals het afleiden van de betekenis van moeilijke woorden uit de context, samenvatten en het vinden van de hoofdgedachte van de tekst. Sabrina raadt de school aan de getoetste leesstrategieën te oefenen. Daarbij is de volgorde van aanbieden van belang. “Verder blijkt Nieuwsbegrip tot de beste resultaten te leiden.” Zij raadt De Dubbele Punt aan om de Citoresultaten bij te houden en te analyseren, om zo tot betere resultaten te komen. “Er zijn blijkbaar hiaten tussen ons aanbod en de toets, dus daar gaan we aan werken”, concludeert directeur Jan Jaap Engel. “Verder is door dit onderzoek bij ons opnieuw de vraag op tafel gekomen in welke groep we moeten beginnen met begrijpend lezen. Nu beginnen we in groep 4 maar misschien is dat te vroeg en is groep 5 een beter startmoment.” Mart Sevenhuijsen, directeur op de Springschans, vindt de uitkomst over de leesstrategieën een eye opener. “We gaan meer focussen op de leesstrategieën die Cito toetst. Een leuke vraag voor een vervolgonderzoek zou zijn of die leesstrategieën ook leiden tot beter leesonderwijs.”

 

Hoger doel
Natuurlijk is het onderzoeksresultaat van belang, maar er is nog een hoger doel, benadrukt Ap Strampel, directeur van de Alvitlo en De Marske en betrokken bij de samenwerking met InHolland. “We willen een onderzoekende houding stimuleren bij leerkrachten, en waar kun je daarmee beter beginnen dan op de pabo? Deze studenten leren nu al te reflecteren op hun handelen en na te denken over vragen als: hoe kan ik de opbrengsten van mijn klas beïnvloeden en welke factoren spelen daarbij een rol? Of: hoe kan ik ouders beter betrekken bij het leerproces? Zo’n onderzoekende houding zien we graag bij al onze leerkrachten want daarmee groeit de kwaliteit van ons onderwijs.”
 


]]>
<![CDATA[Vooral geen zeurjuf worden]]>


Ja, als juf van groep 1/2 komt er veel op je af. En ja, soms groeit het werk je wel eens boven het hoofd. Maar, bovenaan zou toch moeten blijven staan dat werken met kleuters ontzettend leuk is. Vanuit een groot enthousiasme voor hun werk, besloten Tonny Sijm van De Peppel in Middenmeer en Marjo Hakvoort van De Zwerm in Sint Maarten een intervisiegroep voor kleuterjuffen van Surplus op te starten. Er bleek direct veel belangstelling te zijn voor het idee. ' We hebben nu al een ledenstop'.

 

Op het moment dat het interview plaatsvindt, moet de eerste bijeenkomst van de intervisiegroep nog plaatsvinden. Een officiële naam is er nog niet. En ook het doel van de groep moet nog officieel worden vastgelegd. Mede-initiatiefnemer Tonny Sijm heeft er echter al een helder beeld bij. " In het onderwijs heerst nog wel eens een klaagcultuur en voor je het weet ben je een zeurjuf geworden. Natuurlijk hebben we allemaal klussen op ons bord zoals het maken van handelings- en zorgplannen, het bedenken van leuke projecten en nieuwe werkjes en dan moet het ook nog eens allemaal 'inspectieproof' zijn. Met erover klagen bereik je niets, die energie kun je beter steken in het bedenken van een goede oplossing."

 

Uitwisselen

Samen met collega en goede vriendin Marjo kwam ze op het idee van een 'juffenclub'; dat is de werktitel voor een intervisiegroep voor leerkrachten van groep 1/2. " We willen ongeveer eenmaal in de twee maanden bij elkaar komen om ideeën en ervaringen met elkaar te delen, bijvoorbeeld over het inrichten van het lokaal, het opzetten van projecten, en het maken van zorgplannen en handelingsplannen. We kunnen kennis aan elkaar overdragen, elkaar helpen én inspireren. Door steeds op een andere school te vergaderen, kunnen we bovendien bij elkaar in de klas kijken; ook daar leer je veel van. Hoe heb jij je klas georganiseerd en waarom? Door met vakgenoten te praten, kun je je blik verruimen en ga je vaak met andere ogen naar je eigen werk kijken. Dat geeft nieuwe impulsen en daar word je blij van.

 

Kleinschalig

Na enig rondvragen, hadden Tonny en Marjo al tien leden verzameld voor de intervisiegroep. " We hebben dan ook direct een ledenstop ingesteld. We willen kleinschalig beginnen en dan kunnen we later altijd nog uitbouwen."  De eerste bijeenkomst staat in het teken van het inventariseren van de ideeën die er onder de juffen leven. " Daar kunnen we vervolgens mee aan de slag in de volgende bijeenkomsten. Verder zijn we ook al gevraagd om op de Surplusdag - de jaarlijkse studie- en ontmoetingsdag voor Surplusleerkrachten - een workshop te verzorgen voor de andere kleuterjuffen bij Surplus. Op onze eerste bijeenkomst zullen we het ook over de inhoud daarvan hebben." Tonny is er niet bang voor dat het enthousiasme voor de intervisiegroep na enige tijd in de schoenen zal zakken. " De bijeenkomsten moeten zo leuk en leerzaam zijn dat niemand er iets van wil missen."

 

Op de Surplusdag in februari 2012 gaf de juffenclub een workshop over kleuteronderwijs aan tientallen collega's van Surplus. Met groot succes; de reacties waren zeer enthousiast. Naast de intervisiegroep voor leerkrachten van groep 8 is dit de tweede structurele Surplusbrede intervisiegroep voor leerkrachten van eenzelfde jaarklas die 'in het veld' is ontstaan.


]]>
<![CDATA[Triple P spreekt taal ouders]]>


Met het programma Triple P wil De Keerkring het gesprek over opvoeding een prominenter plaats geven in de school. Een jaar geleden al zorgde dit onderwerp voor een goede opkomst bij het oudercafé. Er schuiven nu nog meer ouders aan: ‘Ik ben speciaal voor dit onderwerp gekomen.’

 

In de gemeenschapsruimte van De Keerkring stalt Jaike van Zanten – kindercoach, administratief medewerker en geaccrediteerd op Triple P-niveau 2 - allerhande foldermateriaal uit over Triple P, het positief opvoedprogramma waarover het tijdens het oudercafé zal gaan. De sheets gaan onder andere over ongehoorzaamheid, zelfstandigheid en stress en staan vol overzichtelijke stappen en suggesties. “Normaliter staat dit rek met tipsheets in de spreekkamer”, licht Jaike toe. “Ik of de leerkracht kan aan ouders zo’n sheet meegeven. Maar het gaat erom dat je even in gesprek bent met de ouder. De begeleide tipsheet is een manier om het stellen van vragen over opvoeden heel gewoon te maken.”
De ochtend wordt geleid door Helma Langedijk, pedagogisch adviseur van GGD Hollands Noorden. Helma verzorgt op verzoek een lezing of workshop over thema’s rond positief opvoeden volgens de methode Triple P. Op De Keerkring zijn achttien ouders aanwezig bij de workshop over het onderwerp  ‘Zelfvertrouwen en sociale vaardigheden stimuleren’. In de loop van de ochtend geven ze zelf heel wat voorbeelden van wat wel en niet werkt bij opvoeden. Opvallend is dat die vaak gaan over ‘problemen’ die de kinderen op school zeggen te hebben, met vriendjes, schoolse situaties of met de juf, en die ze dan thuis aan mama of papa voorleggen. ‘Dat het thuis én op school hanteren van eenzelfde opvoedstrategie voor alle partijen duidelijkheid zou scheppen’, hangt in de lucht. Ook blijkt een aanpak die voor school de gewoonste zaak van de wereld is, voor ouders wel eens een eye opener: “Als je een moeilijk thema wilt bespreken met je kind, lees er dan samen eens een kinderboek over. School kan adviseren welke boekjes geschikt zijn”, vertelt Jaike.

 

Geen taakverzwaring
Op de vraag of opvoedingsondersteuning een taak van de school is, antwoorden de meeste ouders ‘nee’. Maar ze vullen wel aan: “Dat het gesprek over opvoeding op school plaatsvindt, dat is een goede zaak. Als er wat aan de hand is, moet je er immers samen met school uitkomen. Dan is het erg prettig als er al een basis ligt, bijvoorbeeld door dit soort bijeenkomsten.” “De school zelf kan ook nog veel baat hebben bij dit programma”, vult een andere ouder aan. “Er kan nog veel worden verbeterd op het gebied van omgaan met ruzie en agressie bijvoorbeeld.”
Volgens Jaike is de inzet van Triple P geen taakverzwaring. “Positief opvoeden deden we al. Door Triple P komen we daarover beter in gesprek met de ouders. Komt een leerling elke dag te laat en klaagt de ouder ‘dat de kids niet willen opschieten ’s ochtends’ dan kan de leerkracht zeggen: ‘Wij hebben een tipsheet over ochtendstress.’ Wij kunnen doordat we beschikken over het Triple P-materiaal, informatie aanbieden specifiek afgestemd op ouders, in glasheldere taal, ontdaan van jargon en geïllustreerd met herkenbare voorbeelden. En we lichten zo’n opvoedsheet kort toe in een persoonlijk gesprek. Zonodig kunnen we doorverwijzen, bijvoorbeeld naar een opvoedspreekuur. Zoveel ouders weten niet welke hulp ze kunnen krijgen en soms zijn ze alleen al met zo’n tipsheet en onze toelichting geholpen. Natuurlijk moet de leerkracht steeds de link leggen: ‘Hé, hierover hebben we informatie. Misschien kan ik zo even in gesprek komen over opvoeding.’  Triple P is daarnaast een goede aanleiding om het ook in onze nieuwsbrief regelmatig over opvoeding te hebben.” 
 

> lees meer op deze website


]]>
<![CDATA[Nu weet ik ook wat een weetwoord is]]>


Zo’n twee jaar geleden startte De Kolk met een nieuwe werkwijze met als doel betere leerresultaten bij de kinderen te realiseren. De school investeerde in nieuwe methodes, paste het lesprogramma aan en voerde handelingsplannen in. De behoefte aan betrokkenheid van ouders bij het leerproces groeide. Andersom bleken ouders behoefte te hebben aan meer informatie. Dat was de start van een nieuw tijdperk voor de school in Lutjewinkel waarbij de school ouders steeds meer ging betrekken bij het leerproces.

 

“In het verleden was het zo dat alleen ouders van kinderen die extra aandacht nodig hadden regelmatig informatie kregen over hun kind. De overige ouders werden geïnformeerd tijdens de tienminutengesprekken en de ouderavonden. Uiteindelijk bleek deze aanpak voor zowel de ouders als het team niet meer te voldoen”, vertelt Ellen Kemp, leerkracht van groep 7/8 op De Kolk. Haar collega Sabine Burgering (leerkracht groep 3/4) en moeders Marjan Bierman en Linda Arentz knikken instemmend. Marjan: “Wij willen weten waar onze kinderen mee bezig zijn. Welke onderwerpen worden behandeld? Wat moeten ze al beheersen en wat niet? En waarin kunnen wij als ouders ondersteunen?” Linda vult aan: “Opeens had mijn dochter bijvoorbeeld een lagere score in woordenschat. Dan wil je weten hoe dat komt en hoe je eventueel thuis kunt oefenen. Die informatie moet je toch van de leerkracht krijgen.” Wat ook gebeurde, was dat kinderen soms extra werk mee naar huis kregen, maar dit vergaten mee te nemen. “En omdat de ouders er niet van wisten, bleef het liggen.”

 

Gericht vragen
Van twee kanten was er dus behoefte aan intensievere communicatie en informatieoverdracht. Om de ouders meer bij het leerproces te betrekken, sturen de leerkrachten aan het begin van elk leerblok van elk vak een mail naar de ouders. Sabine: “Daarin geven we informatie over het thema, over de doelen, vertellen we wat we op school doen, wanneer we toetsen afnemen en geven we tips hoe ouders thuis kunnen oefenen met de stof, hoe je dat op een speelse manier kunt aanpakken. We mailen ouders ook de data waarop we toetsen afnemen. Tijdens de ouderavonden vertellen we waarmee de kinderen bezig zijn, wat ze al moeten beheersen en waarin ouders kunnen ondersteunen. En als we een nieuwe taalmethode invoeren laten we zien hoe deze werkt.” De ouders waarderen deze aanpak zeer. Marjan: “Als mijn oudste dochter het thuis heeft over ‘een weetwoord’, weet ik nu ook wat ze daarmee bedoelt. En omdat je weet welke stof op dat moment wordt behandeld op school, kun je er gerichte vragen over stellen. Dan blijken kinderen wél te kunnen vertellen wat ze op school hebben gedaan.”

 

Blijer naar school

Linda beaamt dat zij als ouder ‘nu veel meer betrokken is’ bij de leerontwikkeling van haar kinderen. “Ik had geen idee waarmee ze bezig waren en tot hoever je bijvoorbeeld moest doorgaan met oefenen. Verder merk ik dat deze werkwijze drempelverlagend werkt. Je stapt makkelijker de klas in om iets te vragen aan de leerkracht of even te overleggen. En doordat de school nu beter kijkt naar wat kinderen kunnen en waaraan ze behoefte hebben, gaat onze dochter veel blijer naar school. Ze werkt nu op haar eigen niveau.” De school praat ook meer met de kinderen over hun resultaten, vertelt Ellen. “We zijn bewuster bezig met leren, doelen stellen, evalueren en bijstellen.” Overigens leidt de aanpak tot zichtbaar betere resultaten. “We scoorden in de Citotoetsen gemiddeld een lage C en nu een hoge B. We zitten er nu dan ook bovenop. Als kinderen wegzakken, ondernemen we direct actie.”
 

> lees meer op deze website


]]>
<![CDATA[Ik heb een klacht en nu?]]>


Het zou mooi zijn als het niet nodig was, maar de realiteit is nu eenmaal anders; ook bij Surplus hebben we te maken met klachten. Daarbij kan het gaan om kinderen die problemen hebben thuis, ouders die een klacht hebben over een leerkracht of over de school. Op alle Surplusscholen is hiervoor een contactpersoon klachten aangewezen. Verder heeft Surplus een externe vertrouwenspersoon. Die twee rollen en functies worden nogal eens door elkaar gehaald. Hoe zit het nou precies?


’’De contactpersoon klachten heeft de rol van wegwijzer en begeleider voor mensen die een klacht willen indienen. Hij vangt de klager op, hoort de klacht aan en zorgt dat deze bij de juiste persoon of instantie terecht komt’’, zet stafmedewerker Personeel Jennifer van Dalen uiteen. ’’De contactpersoon Klachten is er voor ouders en leerlingen. Klachten kunnen over van alles gaan: van pesten en slechte communicatie tot seksuele intimidatie en mishandeling. De contactpersoon hoort de klacht aan en legt dan – afhankelijk van de klacht – contact met de schooldirectie of met een van de twee externe vertrouwenspersonen. Als een leerkracht een klacht heeft, dan is de directeur het aanspreekpunt. Lost dat niks op dan is personeelszaken of de bestuurder de volgende stap. En daarna eventueel de externe vertrouwenspersoon.’’ Leerlingen kunnen een klacht hebben over de situatie thuis, bijvoorbeeld  als zij mishandeld, misbruikt of verwaarloosd worden. ’’Een leerling kan daarmee zelf naar de contactpersoon Klachten stappen. Maar vaak is het de leerkracht die dit signaleert. Een leerkracht dient dit dan zelf te melden bij het meldpunt voor kindermishandeling Veilig Thuis. 


Boekjes en websites
Op De Keerkring in Schagen zijn Jaike van Zanten en Roelle Wasseneer de contactpersonen Klachten. Roelle is groepsleerkracht en Jaike is onder andere  pleinwacht en kindercoach. ’’Wij gaan aan het begin van elk schooljaar alle groepen langs om onszelf voor te stellen en te vertellen waarvoor kinderen bij ons terecht kunnen’’, vertelt Jaike. ’’In de onderbouw lezen we een boekje dat op kinderniveau uitlegt waar het om gaat. In de bovenbouw kijken we naar diverse websites, bijvoorbeeld over kindermishandeling en de kindertelefoon.’’ De boodschap is duidelijk voor de kinderen. ’’Dan zeggen ze bijvoorbeeld: ‘Ik kan jou alles vertellen hé?’ We zijn ook regelmatig op het schoolplein zodat kinderen makkelijk naar ons toe kunnen komen.’’  Zonodig verwijzen Jaike  en Roelle  door naar de externe vertrouwenspersoon.  De contactpersonen worden ook vermeld in de schoolgids en in het katern, een informatiewijzer die de school jaarlijks uitgeeft.


Goed gedaan
Mia Lenferink en Sabine Burgering zijn de contactpersonen voor klachten op De Kolk in Lutjewinkel; ook zij richten zich elk op een eigen bouw. ’’We zijn er pas mee begonnen, dus bij ons staat het nog in de kinderschoenen’’. Benadrukt Mia. ’’Wel hebben wij de methode ‘Goed gedaan’ geïntroduceerd over goed omgaan met elkaar. Elke twee á drie weken is er een nieuwe les en via de bijbehorende ouderbrieven houden we de ouders en opvoeders op de hoogte. Als zich problemen voordoen, gebruiken we richtlijnen van die methode om ze op te lossen. In de teamvergadering overleggen we nog hoe we de rol van contactpersoon Klachten verder invullen. Tot nu toe is het zo dat ouders op de leerkrachten of de directeur afstappen met klachten.’’ Nynke Zijlstra en Marianne van Rijn zijn de contactpersonen op ’t Zwanenest in Schagerbrug. ’’Wij hebben affiches in de school opgehangen om  onszelf bekend te maken en we hebben onszelf voorgesteld in alle klassen.’’ Nynke en Marianne hebben nog niet veel klachten ontvangen.
Het is wel fijn om dit samen te doen, dan kun je overleggen hoe je een klacht gaat aanpakken.’’ De collega’s van  ’t Zwanenest kijken uit naar de volgende bijeenkomst voor de contactpersonen. ’’Dan hopen we ook wat tips te krijgen van collega’s."
 


]]>
<![CDATA[Kinderen presenteren rapporten]]>


De kinderen als regisseurs van hun eigen ontwikkeling. Dat is een belangrijk aspect in de onderwijsfilosofie van De Meerpaal in  Anna Paulowna. Vanuit die gedachte laat de school al zo´n drie jaar kinderen zelf hun rapport presenteren aan hun ouders. ´Dat vergroot de betrokkenheid van kinderen bij hun leerproces enorm.´


De Kinderen oefenen hun presentatie in de klas voor hun klasgenoten en leerkracht, vertelt directeur Gert Jan Riemers van De Meerpaal. ’’Ze vertellen waar ze goed in zijn waar ze minder goed in zijn en hoe ze daaraan willen werken. Voor de onderbouw hebben we een vragenlijst gemaakt die als richtlijn voor de presentatie dient. In de bovenbouw laten we de leerkracht en de medeleerlingen vragen stellen aan de leerling.’’ Wat opvalt, is dat kinderen deze vragen prima kunnen beantwoorden. ’’Ze weten heel goed waar ze nog niet zo goed in zijn. Vervolgens kunnen ze ook bedenken hoe ze daaraan zouden kunnen werken. Door meer te oefenen bijvoorbeeld, de open leertijd op school hiervoor te gebruiken of huiswerk mee te nemen. Doordat ze hun eigen plan maken, gaan ze heel gemotiveerd aan de slag. Voordeel is ook dat de ouders erbij zijn als het kind deze afspraken maakt.’’ De leerkracht legt de afspraken per kind vast en komt er bij het volgende rapport op terug.


Betere resultaten?
Het voorgezet onderwijs heeft De Meerpaal geïnspireerd om deze aanpak te hanteren. ’’Mijn kinderen en ook die van collega’s gaan inmiddels naar het VO en toen wij daar in contact kwamen met deze werkwijze dacht we : dat kunnen onze kinderen ook.’’  Grote verandering is dat tegenwoordig niet de leerkracht maar juist  de leerling vooral aan het woord is tijdens de rapportpresentaties.  ’’Waar dat nodig is, vult de leerkracht aan. Zo ontstaat een heel compleet verhaal waardoor ouders veelal nauwelijks vragen hebben. ’’ Of deze aanpak ook gevolgen heeft voor de resultaten van De Meerpaal vindt Gert Jan lastig om te zeggen. ‘’We zien wel dat kinderen erg  trots zijn op hun presentatie, bewuster nadenken over hun resultaten en gerichter werken aan verbeteringen. De betrokkenheid is groter, kinderen voelen zich competent en nemen meer initiatieven. Dat zijn voor ons redenen om hiermee door te gaan.’’
 


]]>
<![CDATA[Pilot expertisecentum Surplus gestart]]>


Bij zo´n honderd leerlingen binnen Surplus is sprake van ´handelingsverlegenheid´; de desbetreffende scholen hebben geen adequaat antwoord op de onderwijs- of instructiebehoefte van deze kinderen. Veelal schakelen scholen hiervoor de OBD in. Surplus heeft echter in haar tak speciaal onderwijs vergelijkbare kennis in huis, binnen het team van psychologen en orthopedagogen. Vanuit een eigen expertisecentrum zou de begeleiding niet alleen goedkoper, maar ook sneller kunnen worden aangeboden. Om uit te zoeken of dit inderdaad het geval is, is onlangs een pilot gestart.


Tot voor kort werkte Tineke Wuite als psycholoog op de Burgemeester De Wildeschool; in november 2011 sloot ze daar haar 35-jarig dienstverband af. Ze is nu nog parttime verbonden aan Surplus voor de pilot rond het expertisecentrum. ‘’Al langer leeft het idee bij Surplus om een eigen expertisecentrum voor handelingsgerichte diagnostiek op te zetten. We hebben de kennis immers in huis, het zou mooi zijn als scholen daar snel en eenvoudig een beroep op zouden kunnen doen. Nu kopen we dit in bij de OBD en dat kost veel geld. De pilot is er dus ook op gericht om te ontdekken of het goedkoper kan als we de handelingsgerichte diagnostiek via een eigen expertisecentrum laten lopen. Met hetzelfde budget zouden we meer kunnen doen voor onze zorgleerlingen.’’ De werkwijze van het expertisecentrum  moet passen binnen de kaders van het passends onderwijs. ‘’De nadruk ligt op handelingsgericht werken en handelingsgerichte diagnostiek. Vroeger stelden we de vraag: wat is er met dat kind? Vervolgens plakten we er een etiket op. Dat zei echter niets over de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van het kind. Nu staan die behoeften centraal; wat hebben de leerling, de leerkrachten en ouders nodig?’’.


Inventariseren
Dat is de theorie, maar hoe gaat het expertisecentrum in de praktijkwerken? ‘’Als een leerkracht en een IB’er een probleem signaleren bij een kind - dat kan dan een leer- of gedragsprobleem zijn – en er samen niet uitkomen, komt dat kind in het zorgteam terecht. Het zorgteam kan vervolgens het expertisecentrum inschakelen. Dat kan door te bellen naar ene 06-nummer.’’ Tijdens de pilot wordt het expertisecentrum bemenst door een gedragsdeskundige die vooralsnog voor tien uur per week aan de slag gaat. ‘’Hij gaat in gesprek met de leerkracht en de ouders om te inventariseren wat er aan de hand is. Wat is er al bekend, welke vragen leven er nog? Zonodig doet hij aanvullend onderzoek. Daarbij gaat het er niet alleen om wat het kind niet kan, maar juist ook om wat het wel kan. Zo moet duidelijk worden wat de behoefte van het kind zijn. Vervolgens wordt daar een passend aanbod voor gezocht. Dat kunnen begeleidingsadviezen binnen school zijn, ambulante hulp of externe training of begeleiding door een specialist.’’ Daarmee houdt de bemoeienis van het expertisecentrum niet op. ‘’De psycholoog/orthopedagoog blijft het kind volgen zo lang het  in het zorgteam zit. Hij kan ook assisteren in het proces rond indicatiestelling.’’ Een ander doel van het expertisecentrum is teams te begeleiden bij het handelingsgericht werken om zo de expertise van de leerkrachten op dit gebied te vergroten. 


Dichtbij
Het grote voordeel van deze werkwijze voor scholen is vooral dat het expertisecentrum – als onderdeel van Surplus – dichtbij de scholen staat en dus makkelijk kan worden ingeschakeld. Over de kwaliteit merkt Tineke op: ‘’Die moeten minstens zo goed zijn als de kwaliteit van de OBD, en liefst nog beter. Scholen moeten tevreden zijn. We willen meer bereiken dan alleen een kostenbesparing. De scholen moeten er echt op vooruit gaan.’’ Onlangs is een pilot gestart die duidelijk moet maken of het expertisecentrum inderdaad een meerwaarde heeft voor Surplus. ‘’Vijf scholen – uit de verschillende IB-netwerken van Surplus – hebben zich hiervoor aangemeld: Frankeldael, De Dubbele Punt, De Keerkring, De Zwerm Winkel en de Zandhorst. Ik ga in gesprek met de directeuren van deze scholen en sluit contracten met ze af voor de uren die ze kunnen afnemen.’’ De pilot loopt tot de zomervakantie van 2012. ‘’Na de vakantie gaan we evalueren. De evaluatie bespreken we vervolgens in het directeurenoverleg en daar wordt besloten hoe we verder gaan met het expertisecentrum.’’ Uiteindelijk zou het expertisecentrum Surplus moeten opgaan in een expertisecentrum van het samenwerkingsverband van schoolbesturen in de regio, het Handelingsgericht Ondersteunend Team (HOT). ‘’Dat is een volgende stap. Zie het maar als ene groeiproces.’’
 


]]>
<![CDATA[Van Kangoeroegroep naar Plusklas]]>


Sinds het voorjaar van 2009 kent Surplus het fenomeen Kangoeroegroep; speciale klassen voor kinderen die meer dan gemiddeld begaafd zijn en niet voldoende hebben aan de reguliere lesstof. Het initiatief was succesvol, met drie kangoeroegroepen waarvan veertig meerkunners gebruik maakten.  Door de bezuinigingen op onderwijs kan Surplus deze voorziening niet meer in stand houden. Meerkunners zijn voortaan aangewezen op de Plusklas van WSNS.


De Kangoeroegroep bleek binnen Surplus in een behoefte te voorzien. Binnen een paar jaar kwamen drie groepen tot stand: op De Meerpaal in Anna Paulowna, op de Frankendael in Callantsoog en op de Torenven in Warmenhuizen. In totaal maken zo’n veertig kinderen gebruik van deze voorziening. ‘’Die kinderen hebben er ook allemaal baat bij gehad. We hebben veel ontwikkeld en iedereen die bij de Kangoeroegroep is betrokken is enthousiast. Met het oog op passend onderwijs worden nu echter binnen het samenwerkingsverband WSNS Plusklassen gevormd die onderdeel uitmaken van de totaalaanpak ‘uitdagend onderwijs voor excellente leerlingen’. Ook Surplus is hierbij betrokken en daarmee houden de Kangoeroegroepen op te bestaan’’, verklaart Gert Jan Riemers, directeur van De Meerpaal.


IQ-test
Voor de totstandkoming van deze Plusklassen zijn verschillende werkgroepen gevormd. ‘’Ik zat samen met Marianne Stroomer – die de kangoeroegroep op De Meerpaal draait- in de werkgroep Plusvoorziening. Eelco Eijkhout van het Expertisecentrum Meerkunners van Surplus zat in de werkgroep scholing. Via onze deelname aan die werkgroepen hebben wij de expertise kunnen inbrengen die wij hebben opgebouwd met de Kangoeroegroepen.’’ De Plusvoorziening van WSNS is er voor 75 scholen en zijn slechts 65 plekken beschikbaar. ‘’Qua capaciteit gaat Surplus er dus flink op achteruit, dat is een feit. Bovendien is de Plusklas toegankelijk voor kinderen met een getest IQ van minstens 130, terwijl de Kangoeroegroep zich openstelde voor ieder kind dat behoefte had aan meer dan de reguliere lesstof. Ook dat is dus een beperking. We gaan een paar stappen terug. Toch zijn we blij dat er met de Plusklas wel een voorziening voor hoogbegaafde kinderen blijft bestaan.’’ De werkgroepen hebben een procedure ontwikkeld voor aanmelding en toelating tot de Plusvoorziening. ‘’Daarvoor zijn diverse voorwaarden geformuleerd, behalve het IQ gaat het dan bijvoorbeeld ook om lijdensdruk bij het kind.’’


Expertisecentrum
Om te voorkomen dat meerkunners straks buiten de boot vallen, moet de opvang van deze leerlingen op de Surplusscholen goed geregeld zijn. ‘’Het expertisecentrum – dat Eelco Eijkhout runt – blijft bestaan. Scholen die hulp nodig hebben bij het ontwikkelen van een programma voor meerkunners, kunnen dan een beroep op hem doen. Bovendien kunnen scholen die zelf een (vorm van een) plusvoorziening willen oprichten, dat gewoon doen’’  Gaat er met het verdwijnen van de bestaande Kangoeroegroepen niet veel kennis verloren? ‘’Dat valt wel mee, denk ik. Marianne, Eelco en ik hebben al veel kennis kunnen inbrengen in de werkgroepen van WSNS. Bovendien kunnen de leerkrachten van de Kangoeroegroepen hun kennis op hun eigen scholen benutten en dit met collega’s delen. Zo hebben wij van de Kangoeroegroepen geleerd dat kinderen beter leren als je ze eerst uitlegt waaróm ze iets moeten leren voordat we aan de instructie beginnen. En dat werkt niet alleen bij meerkunners zo. "
 


]]>